artist’ text Krien Clevis

The Smooth and the Striated

Twee locaties, twee werken, twee plaatsen, elkaar confronterend en versterkend

Locaties

I

Huize Frankendael: de Hofstede Frankendael is een 17e eeuws landgoed, ontstaan na de drooglegging van de polder Watergraafsmeer, omsloten door een gracht en gelegen aan wat destijds de ‘Middelweg’ heette. Het grondgebied is in de loop der tijd door verkaveling, verkoop en verandering van eigenaren in omvang toegenomen en aanzienlijk veranderd.1 Over het tuingedeelte van de hofstede was echter weinig of niets bekend. In de 17e en 18e eeuw werd de tuin slechts decoratief weergegeven als detail van Het Verheerlijkt Watergraafsmeer.2 De aanplant van lindelanen, hagen en fruitbomen en een verborgen lustbos wordt genoemd. Pas in 1810 werd voor het eerst de eigenlijke tuin achter het huis gedetailleerd beschreven als een symmetrische tuin met vier rijen bomen, waarvan later blijkt dat het lindebomen waren.3 Tevens werd melding gemaakt van een meer landschappelijke tuinaanleg buiten de gracht van Frankendael. Later zouden een paar bruggetjes vanuit de hofstede hiermee in verbinding komen te staan. Tenslotte was er een slingervijver, waarin een eiland lag. Hierop stond een kluizenaarswoning, de hermitage, waarin een pop in monnikskledij zat, die door de tuinman in beweging gezet kon worden. Als attributen had de kluizenaar een zandloper, doodskist en een mensenschedel bij zich. Het bordje Memento mori sprak voor zich. De slingervijver verbeeldde vermoedelijk een beek die vanuit het hoogland naar het laagland stroomde, een romantische verbeelding van de genius loci die de verschillende karakterstructuren van een plaats verbond.4 Na 1810 wordt de landschappelijke inrichting verder verfraaid, en verandert de particuliere buitenplaats langzamerhand in een openbaar park. Het eens zo omsloten particulier bezit waarin het leven van lust tot vergankelijkheid werd weerspiegeld wordt publiek gemeengoed ter lering en vermaak.

De Tuinkamer is in het pand de meest specifieke ruimte, en vormt de verbinding tussen binnen en buiten, vice versa: de entree, het portaal. Het is de transitieplaats naar een andere wereld: in dit geval van binnen naar buiten. Maar zo zou de tuin ook als een omsloten ruimte, een plaats gezien kunnen worden, en zou de tuinkamer de entree tot het landgoed daarachter kunnen zijn.

II

Nieuw Dakota: Nieuw Dakota is een 20e eeuwse, voormalige metaalwerkplaats, onderdeel van de voormalige NDSM-werf in Amsterdam Noord, en direct gelegen aan het IJ, bij de ponthalte. De Nederlandse Dok en Scheepsbouw Maatschappij maakte in de vorige eeuw een turbulente geschiedenis door.5 Gefuseerd uit twee ondernemingen: de Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij en de Nederlandse Dok Maatschappij, nam het nieuwe bedrijf in 1946 een gigantische locatie – circa twee kilometer IJ-oever – in beslag. De NDSM-werf is een strategisch samenballen van scheepsbouw- en reparatiewerkzaamheden tegen de Rotterdamse concurrent RDM. Alle typen vrachtschepen, tot en met Mammoettankers, werden gebouwd en gerepareerd in de talrijke voor de buitenwereld afgesloten werven. Deze positie bleek in de loop van de eeuw niet opgewassen tegen buitenlandse concurrentie, waaronder die vanuit Japan. Nieuwe fusies en reddingsplannen, opgesteld in samenwerking met de Rotterdamse scheepswerven en de overheid mochten niet baten. De werf sloot in 1985 definitief haar poorten. Na amper een eeuw werd de Amsterdamse scheepsbouw gedwongen beëindigd. Wat rest zijn de enorme hallen en lege werven als residu van de vele uren arbeid, ruige machinerieën, takels en kranen, waar achter gesloten deuren ooit de grootste scheepsdromen voor ver over het IJ verwezenlijk werden.

Inmiddels heeft het terrein een nieuwe bestemming gevonden en hebben kunstenaars er hun intrek genomen. Nieuw Dakota neemt, als onderdeel van twee aan elkaar gespiegelde tentoonstellings-ruimtes, een centrale plaats in. De moderne, transparante en lichte plek toont echter geen glimp meer van het verleden. De enige ‘authentieke’ plek lijkt de opslagruimte, die achter de coulissen nog de originele constructie van de loods toont. Hier is er plaats voor man-made places, de rauwe getekende, door mensen betekende plek. In de huidige tentoonstellingsruimte is de geschiedenis ‘verwerkt’. Niets ademt nog de sfeer van de noeste arbeid in de scheepsbouwwerven.

Werken

I

Voorportaal vormt een entree, een vestibule of voorportaal, dat verwijst naar iets wat daarachter ligt of gaat komen. Voorportaal is een portaal naar een ander leven, dat oneindig circuleert.

II

Bewaarplaats insinueert een einde, een niet te doorgronden doorgang, diepte. Bewaarplaats verwijst naar niets dan zijn eigen ruimte, zijn eigen plaats, met een onbekende verblijfsduur.

Plaatsen

In het verschil van beide plaatsen zie ik ‘the smooth’ en ‘the striated’ zowel tegenover elkaar staan als op elkaar aansluiten, elkaar zowel confronterend als versterkend.

De smooth, in de verbeelding van Voorportaal, als ogenschijnlijk voortkabbelend bronbeekje, geeft leven aan een groeiende beek, een open waterweg door een donker bos. Hier is echter in de kiem ingegrepen door mensenhanden. Een 19e eeuwse constructie verraadt een aangelegd bassin en watergeleidingssysteem, van waaruit de bron kon ontspringen. Ook de hofstede Frankendael kent een grillige ontstaansgeschiedenis. Hoewel Frankendael een landelijke oase lijkt tussen drukke stedelijke verkeersaders, is ook dit landgoed geheel ‘gemaakt’, vanaf de eerste drooglegging, de 18e eeuwse stijltuinaanleg tot de 19e eeuwse landschappelijke tuinaanleg. Alles, hoe idyllisch en ‘smooth’ ogend ook, is vanaf het prille begin door mensenhanden gemaakt. Met het werk Voorportaal wil ik de bezoeker confronteren met de verraderlijke voorgeschiedenis van de hofstede. De verrekijker in de geheel verduisterde tuinkamer biedt uitzicht op het meest idyllische gedeelte van het landgoed: de landschappelijke tuin, die echter als laatste onderdeel van het landgoed is aangelegd. Werk en werkelijkheid moeten elkaar confronteren en versterken. De kijker legt de onwerkelijkheid bloot, het werk biedt uitzicht op een ingegrepen werkelijkheid.

De striated, in de verbeelding van Bewaarplaats, als ogenschijnlijk oneindige ruimte, zowel in grootte als in diepte, is in werkelijkheid geheel uitgegraven door mensenhanden en machines. Het is echter niet duidelijk waar deze uitgekapte weg naartoe leidt, de weg biedt geen uitweg, en lijkt een einde die niet te bevatten en niet meetbaar is. Het werk bevraagt de verhouding tussen mens en natuur, man-made-places en environmental places, en in relatie tot smooth en striated places, plaatsen die uit elkaar voorkomen, elkaar kunnen verstoren, maar elkaar ook versterken. Hoe is in die plaatsen de geest van de plek te vinden, hoe verbinden die plekken met oerplekken of naar nieuwe referentieplekken? Juist op Nieuw Dakota waar bijna elke – ook aangelegde – oorspronkelijkheid in de vorm van een ‘white cube’ is weggemoffeld, vind ik het een uitdaging om de getekende en door mensen beschreven werkelijkheid te tonen in schril contrast met de resterende galerieruimte.

In Deleuze’s beschrijving over ‘smooth and striated places’ zie ik veel overeenkomsten met wat Christian Norberg-Schulz in zijn Genius Loci het verschil noemt tussen ‘natural environment’ en ‘man-made settlement’, waarin hij in de sequentie van ‘environmantal levels’, de ‘natural places’ aan de top ziet. Volgens Norberg-Schulz heeft de laatste en de laagste man-made place wel degelijk invloed op de eerste en hoogste. Met andere woorden, een natural place wordt een karakteristieke plaats door de invloed van man-made elements.6./ 7.

Werk, plaats en context

In mijn plaatsen probeer ik de te fotograferen locaties te incorporeren tot een nieuwe betekenisvolle plaats, die bepaald of onbepaald in zijn hoedanigheid verwijst naar een referentieplek (concreet, in herinnering of virtueel). Dat wat mij een nieuwe plaats ‘geeft’, de indruk die een locatie op mij als fotograaf achterlaat, de transformatie naar een beeld: een nieuwe plaats, en de begrijpelijkheid of juist onbegrijpelijkheid ervan – de associatie die dit beeld bij het publiek oproept – ervaar ik als een interessant spanningsveld.

In mijn foto’s probeer ik die ongrijpbaarheid en onbegrijpelijkheid te verbeelden. Hierin zit de genius loci van die plek. Het is een sacrale plaats, omdat het de ruis van de werkelijkheid – voorbijrazend verkeer, of geluid van zware machinerieën – weglaat. De foto is letterlijk en figuurlijk geknipt uit de rauwe werkelijkheid, omgebouwd tot een nieuwe context en daarmee geplaatst in zijn eigen ruimte, een nieuwe plaats. De niet te benoemen atmosferische kwaliteit van de plaats, die niet altijd zichtbaar, maar wel voelbaar en suspense van karakter is, vertolkt voor mij de genius loci, herbergt een rituele handeling, en maakt de gefotografeerde plaatsen een waar Sanctuarium. Mijn Plaatsen in transitie verbinden de historische, imaginaire plek, of de geest van een plek met de nieuwe geadopteerde plaats. Met mijn plaatsen wil ik mijn publiek attenderen op de verankering van de geadopteerde plaats met de oorspronkelijke: in deze verankering ligt het mysterie van de overgang.

Beide fotowerken zijn Duratrans, dit zijn transparante foto’s die vanaf de achterzijde aangelicht worden. De behuizing van de verlichting, de ‘kasten’ zijn verschillend van karakter en beantwoorden op verschillende wijze aan de aard van het werk en de locatie.

De kast in Huize Frankendael is een gesloten, zware, getimmerde, zwarte kast, waarin de concaaf getrokken foto geklemd zit. De maatvoering van de kast is afgeleid van het grondplan van de tuinkamer. De straal van de denkbeeldige cirkel, waarvan de concave foto slechts 30 graden bestrijkt, is gelijk aan de straal van de cirkel die de plattegrond van de tuinkamer beschrijft. Het materiaal-gebruik verwijst naar de betimmering van de tuinkamer. Maar door zijn zwarte kleur neemt de kast afstand van zijn ‘voorbeeld’ om deze te laten schitteren. Waar Voorportaal als een overgang fungeert naar iets anders, is de kast een object in de ruimte en ‘scheidingswand’, of ruimte op zichzelf die als een tweede entree uitzicht biedt naar de volgende ruimte, de achterliggende tuin.  Foto en kast zijn in schaal en maat opgenomen in een groter geheel, in de tuinkamer met zijn grondplan, en in de tuin als onderdeel van een landschappelijk geheel.

De kast in Nieuw Dakota is open en licht; open, in de zin dat de foto er los voor hangt, het is een open, afneembaar werk; licht in de zin van het materiaal: aluminium. De kast refereert met het materiaal-gebruik en de constructie – metaal, laswerk, steunen, schroeven, bouten en moeren – aan de voorstelling van Bewaarplaats, maar ook aan de geschiedenis van de locatie, de voormalige metaalwerkplaats van NDSM. In de loodsen aldaar werd in het verborgene gewerkt, maar alles stond ten dienste van het grotere doel, de schepen die buiten lagen. Hoewel er een verband tussen beiden was, leken zij ook los van elkaar te staan. Zo is het ook bij de kast. De foto is los gehouden van de kast. De techniek in de kast, de ‘loods’, laat zich slechts raden. En hoewel het lijkt dat men vanaf de zijkanten in de kast kan kijken wordt men verblind. Waar Bewaarplaats een in zichzelf besloten constructie suggereert die maat- en schaalloos is, schijnt de kast de constructie juist zichtbaar en meetbaar te willen maken. Echter op het grensvlak fungeert het licht als scheidslijn, waardoor het binnenste verborgen blijft. Dit alles is zoals in Bewaarplaats, waar in het verborgene met kunstlicht wordt gewerkt aan een groter doel. De kasten van Voorportaal en Bewaarplaats zijn meer dan een omhulsel voor het fotowerk, ze beantwoorden aan de genius loci, en dragen bij aan de context van het werk.8

Krien Clevis

1 juli 2010

Noten:

  1. www.park-frankendael.nl >> historische tuinen
  2. Daniel Stopendaal tekende een detail van de kaart uit Het Verheerlijkt Watergraafsmeer, 1725 (te vinden op bovengenoemde site)
  3. Cornelius Groll tekende de Verpondingskaart Diemermeer met daarop een detail van de kern Frankendael, 1810
  4. Norberg-Schulz C., Genius Loci. Towards a phenomenology of architecture. Academic Editions, London, 1980
  5. Romburgh v. C.P.P. en Spits E.K., Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij’, 1996./ Kingma C., www.zaans-industrieel-erfgoed.nl
  6. Norberg-Schulz C., Genius Loci. Towards a phenomenology of architecture. Academic Editions, London, 1980
  7. Deleuze G. and Guattari F., 1440. The Smooth and the Striated. In: A Thousand Plateaus, Capitalism and Schizophrenia. U Minn P., Minneapolis, 1987
  8. Abstract Krien Clevis:

In veertien staties naar de laatste plaats:

Een zoektocht naar plaatsen van betekenis in het werk van Krien Clevis

Mijn onderzoek richt zich op de betekenis van plaats binnen mijn werk, en hoe plaats in relatie met herinnering en transitie zich verhoudt tot het overkoepelende thema dood.

Binnen mijn beeldend werk houdt plaats verband met verlies, herinnering, verankering, geschiedenis, vergankelijkheid, temporaliteit en transitie; begrippen die zich feitelijk allemaal verbinden binnen de context van de dood. De dood is een te groot thema om als mens te bevatten. Aan de hand van het gegeven plaats in relatie tot de overige thema’s probeer ik als kunstenaar vat te krijgen op het fenomeen van de dood. Op basis van empirisch onderzoek, mijn beeldend werk, en een reflectieve beschouwing onderzoek ik de betekenis van plaats.

Het empirisch onderzoek, dat inhoudt dat ik een aantal plaatsen van betekenis ook daadwerkelijk bereis en onderzoek, dient vooral als context om mijn beeldend werk te verdiepen.

Met mijn kunst tracht ik te onderzoeken in hoeverre ik de ervaring en sensatie van de referentieplek of -situatie in een nieuwe plaats, een door mij gefotografeerde locatie, gestalte kan geven en voelbaar kan maken. Ik wil weten wat de verschillende historische concrete, denkbeeldige of virtuele plaatsten mij als context bieden en in hoeverre ze een verandering teweeg brengen en nieuwe inzichten opleveren in de benadering van een nieuwe plaats. Met deze plaatsen, die feitelijk uit de oorspronkelijke context van de alledaagse werkelijkheid zijn gehaald, wil ik een ervaring delen die verder gaat dan een herkenning van of pure verwijzing naar de oorspronkelijke plek. Met mijn foto’s streef ik ernaar de geest van die oerplek te vatten en daarmee een verbinding te leggen tussen oorspronkelijke plek en geadopteerde plaats.

Het reflectieve gedeelte behelst het schrijven van een aantal essays. Deze essays zullen steeds vanuit een andere invalshoek het gegeven plaats onderzoeken binnen mijn werk. Aan de hand van door mij ontwikkelde projecten, reeds vervaardigde en nieuw te ontwikkelen werken wordt plaats steeds binnen een andere context besproken. In deze wisselende context, waardoor het gegeven plaats aan verandering onderhevig is, wil ik de betekenis ervan onderzoeken. De plaatsen vormen een rite de passage langs de verschillende aspecten, stadia en ontwikkelingen van mijn werk en tevens een zoektocht naar betekenisvorming van het thema dood. Door mijn artistiek onderzoek hoop ik  handreikingen te doen naar de begripvorming van het mysterie van de overgang. www.phdarts.eu

The Smooth and the Striated:

Two Locations, Two Works, Two Places Confronting and Reinforcing Each Other

Locations

I

Huize Frankendael: Frankendael is a 17th-century estate built after the reclamation of the Watergraafsmeer polder in what today is the Eastern part of Amsterdam. The estate is surrounded by a canal and located on what was then called ‘Middelweg’. Over the years its premises were expanded and substantially altered as a result of land division, sales, and ownership changes.1 Virtually nothing is known about its garden in the initial years. In the 17th and 18th century it was represented only as a decorative detail on Het Verheerlijkt Watergraafsmeer.2 This map mentions the planting of lime trees, hedges, and fruit trees, as well as a garden of delight hidden among the trees. Only in 1810 the actual garden behind the manor was first described in detail as a symmetrical garden with four rows of trees, which later indeed proved to be lime trees.3 Reference was also made to a more landscaped garden design of the estate’s acreage lying beyond the surrounding canal. Later on a few small bridges were put in to connect the manor and its garden with this outside land. Finally, there is mention of a pond in the shape of a twisting path, with an island. This island had a hermit’s dwelling on it, called the hermitage, which came with a puppet dressed in monk’s clothing. The gardener could let this puppet make gestures, as if alive. It had an hourglass, a coffin, and a human skull as attributes, while a plaque with the words Memento mori on it left no doubts about this ensemble’s meaning. Moreover, the twisting pond was probably meant to represent a stream flowing from elevated lands to lower lying lands, a romantic representation of the genius loci that linked up the various basic elements of a site.4 After 1810 the landscaping was further developed, and gradually this private estate was transformed into in a public park. What was once an enclosed private property, whose garden design represented life’s path from lust to mortality, became a public space for education and enjoyment.

The manor’s most particular space is the sun room adjacent to the garden, forming the connection between inside and outside, and vice versa. Like an entrance or portal, it is a place of transition to another world: in this case from indoor space to outdoor space. If we consider the garden as a separate enclosed place, too, the sun room can be seen to serve as the manor’s entrance as well.

II

Nieuw Dakota: Nieuw Dakota is a 20th-century, former metal workshop, part of the former NDSM wharf in North Amsterdam, and directly located on the banks of the IJ, near the ferry stop. The Nederlandse Dok en Scheepsbouw Maatschappij (Netherlands Dry Dock and Shipbuilding Company) went through a turbulent history in the previous century.5 Born from a merger of two companies, the Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij and the Nederlandse Dok Maatschappij, in 1946 the new company was located along a two-kilometer stretch on the banks of the IJ – a giant location. As such the NDSM wharf was meant as a strategic response to its Rotterdam-based competitor RDM. All types of freighters, up to supertankers, were built and repaired on this wharf, which in fact was completely closed off from the outside the world. In the course of the century, however, even this large company proved unable to compete with its foreign competitors, including those from Japan. New mergers and special rescue plans, put together in collaboration with the Rotterdam shipping wharves and the government, were to no avail. In 1985 the NDSM closed down its wharf forever. After barely a century, modern shipbuilding in Amsterdam had come to an end. What remains are the huge assembly halls and desolate wharves – as silent witnesses to countless hours of tough labor by many, the drone of immense machineries, and the uninterrupted screeching of huge hoists and cranes. On this site the wildest shipping dreams about the world beyond the IJ were once realized – with no one looking in.

In the meantime many of the buildings on the NDSM premises have been taken over by artists. Nieuw Dakota, as part of two exhibition spaces that mirror each other, takes up a central place. This modern, transparent and light building, however, still hardly contains any clues as to its past use. Merely its storage, as only ‘authentic’ place left, appears to reveal elements of the original construction of the large hall where welders and workers created ships. Surely, in such building there is room for man-made places. In the current exhibition space the past has clearly been tamed, if not obliterated: it no longer breathes the atmosphere of the noble and diligent work of shipbuilding.

Works

I

Voorportaal (porch) is meant serve as an entrance, a vestibule or entrance hall, which refers to some world or reality behind it. As such it is a portal to another, infinitely circulating life.

II

Bewaarplaats (storage) is suggestive of endings, depth, a passageway that cannot be fathomed. As such it refers to nothing but its own space, its own place, of which it is unknown how long it will last.

Places

In the difference between both places I see elements of ‘the smooth’ and ‘the striated’: the two contrast with each other and complement each other, and in their mutual contrast they also reinforce each other.

The smooth, represented in Voorportaal as murmuring water, appears to offer life to a growing stream, an open waterway through a dark wood. However, it really is a 19th-century creation, consisting of a man-made basin and water transport system as artificial source of the stream. The history of the origin of Frankendael is erratic as well. If it appears to be a rural oasis amidst busy urban traffic arteries, this estate is entirely man-made, starting from the reclamation of its soil, the design of the garden in 18th-century style and its subsequent 19th-century landscaping and alterations. Everything, no matter how seemingly idyllic and ‘smooth’, is man-made. In my work entitled Voorportaal I seek to confront the visitor with the estate’s rather unnatural prehistory. The binoculars in the fully darkened sun room offer a view of the estate’s most idyllic part: its landscaped garden, which was added only as the estate’s final element. The artwork and the real world confront and reinforce each other. The viewer is thus granted the opportunity to uncover the ‘unreality’ of the location, the work offering a view of an artificial or manipulated world.

The striated, represented in Bewaarplaats as seemingly infinite space, in terms of both size and depth, was actually dug out by men and their machinery. However, it is not clear where this dug-out road is leading; the road offers no way out and comes across as an ending that cannot be comprehended or measured. The work interrogates the relationship between man and nature, between man-made-places and environmental places. Moreover, in relation to smooth and striated places, the work explores places that emerge out of each other, may disrupt each other, but may also reinforce each other. How can one find in those places the spirit of the place? How do these places link up with sites of origin or new places of reference? Precisely in Nieuw Dakota, where nearly every trace of origins – also those put in, man-made – was whisked away in the form of a ‘white cube’, I find it a challenge to show the realities drawn and described by people as being in sharp contrast with the remaining gallery space.

In Deleuze’s description of ‘smooth and striated places’ I see many similarities with what Christian Norberg-Schulz, in his Genius Loci, calls the difference between ‘natural environment’ and ‘man-made settlement’, whereby in his view natural places come first in the spectrum of ‘environmental levels’. According to Norberg-Schulz, the last and lowest man-made place influences in fact the first and highest. In other words, natural places become ‘characteristic’ places through the influence of man-made elements.6/7

Work, Place, and Context

In my Places I try to incorporate the locations to be photographed into a new meaningful place, which in its quality, be it explicitly or implicitly, refers to a place of reference (concrete, in memory, or virtual). That which ‘offers’ me a new place – the impression left by a location on me as photographer, the transformation toward an image – I experience as an interesting field of tension. The same applies to an image of a new place and its comprehensibility or incomprehensibility, as well as to the associations triggered by this image with the public.

In my photographs I try to evoke some of that impalpability and incomprehensibility. They address the genius loci of the place depicted. It involves a sacral place because it leaves out the clutter of the real world, its noisy traffic and loud machinery. The photos are literally and figuratively cut from the raw reality around, and reconstructed into a new context and thus placed in their own space, as a new place. If the suspense seems real, one cannot see or touch it. In my photographs this indescribable atmospheric quality serves as an embodiment of the genius loci, suggestive of a ritual action, turning the places photographed into genuine sanctuaries in a new, mediated manner. My Places in transition seeks to connect a historical, imaginary site, or its spirit, to the newly adopted place. Through Places I mean to call people’s attention to the anchoring, so to speak, of an adopted place in the original one: in this anchoring, the mystery of transition becomes tangible.

Both photographic works involve Duratrans, or transparent photos lighted from the backside. The lighting fixture’s casings, the ‘boxes’, have a different character and relate to the nature of the work and the location differently.

The box in Frankendael is a closed, heavy black box made out of wood in which the concave photograph sits attached. The box’s sizes are derived from the layout of the sun room. The radius of the imaginary circle, of which the concave photo covers only 30 degrees, is equal to the radius of the circle that covers the lay-out of the sun room. The use of material refers to the sun room’s woodwork. But in its black color the box moves away from its ‘model’, so to speak, in order to let it shine. If Voorportaal serves as a transition to something else, the box is an object in the space as well as a ‘dividing wall’, or space as such that as a second entrance offers a view onto the next space, the garden lying behind. In terms of scale and size, photograph and box are integrated in a larger whole, the sun room with its layout, as well as in the garden as part of a landscape as a whole.

The box in Nieuw Dakota is open and light; it is open in the sense that the photograph is loosely sitting on top of it, while it involves an open, removable work; it is light in the sense of the material: aluminum. The box, in its use of material and construction (metal, welding, supports, screws, nuts and bolts), refers to Bewaarplaats as representation, but also to the site’s previous function as metal workshop of NDSM. The work performed there was invisible to the outside world, but all was at the service of the larger goal, the newly built ships docked outside. Although there was a relationship between the two ‘places’, they also seemed to refer to separate realities. The same applies in fact to the box. The photograph and the box continue to serve as separate units. One can only guess about the technique used in the box (as was true of the former assembly hall). And although it seems as if one can look into the box from its sides, one will be blinded. If Bewaarplaats suggests a self-enclosed construction that is without size or scale, the box seems to want to render its construction visible and measurable. However, where the two intersect the lighting will serve as demarcating line, causing the interior to remain hidden from view. This same effect is achieved in Bewaarplaats, where with the help of artificial lighting and hidden to the outside world a larger goal is pursued. The boxes of Voorportaal and Bewaarplaats are more than casings of the photographic works; they correspond to the genius loci, and contribute to the work’s context.8

Krien Clevis

July 1st 2010

Notes:

  1. www.park-frankendael.nl >> historische tuinen.
  2. Daniel Stopendaal drew a detail of the map from Het Verheerlijkt Watergraafsmeer (1725), available at abovementioned site.
  3. Cornelius Groll drew a map, the so-called Verpondingskaart Diemermeer (1810), with on it a detail of the Frankendael settlement.
  4. Norberg-Schulz C., Genius Loci. Towards a Phenomenology of Architecture. Academic Editions, London, 1980.
  5. Romburgh v. C.P.P. and Spits E.K., Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij’, 1996./ Kingma C., www.zaans-industrieel-erfgoed.nl
  6. Cf. Norberg-Schulz C. op. cit.
  7. Deleuze G. and Guattari F., ‘1440. The Smooth and the Striated’. In: A Thousand Plateaus, Capitalism and Schizophrenia. U of Minneapolis P, Minneapolis, 1987
  8. Abstract Krien Clevis:

Along Fourteen Stations toward the Final Place:

A Quest for Places of Meaning in the Work of Krien Clevis

This research is devoted to the meaning of place in my artistic work, and how place, in relation to memory and transition, relates to the overarching theme of death.

In my visual art work, place is tied to loss, memory, rootedness, history, transience, temporality, and transition – notions which are united within the context of death. For most of us death is a concept too large to comprehend. As an artist I try to gain access to death by linking it to a sense of place in relation to the other concerns previously mentioned. I seek to explore divergent meanings of place in three ways: through empirical investigations, artistic work, and reflection on the issues at hand.

The empirical component of my research involves visits to, and the study of, meaningful places, and as such mainly serves to provide a context for deepening the scope of my visual work.

In my art I explore the extent to which I can express and render the experience and sensation of sites or contexts of reference in new places tangible through the medium of photography. I am interested in discovering how the different historically concrete, imaginary, or virtual places can serve as context, and how they bring about a change in, or add new insights to, the approach of new places. With respect to those places which are removed from the original context of everyday reality, I would like my art to share an experience that moves beyond mere recognition of exclusive reference to some original place. My photographs are meant to represent the spirit of that original place, thus establishing a connection between original site and adopted place.

The reflective component of my research will consist of the writing of several essays. The essays explore, each from a different perspective, place as a concept within my work. Based on already developed works in combination with future projects, I address and discuss place in a variety of contexts. This allows me to focus on the changes and variations in meaning that tend to affect our sense of place. In other words, places constitute a rite of passage along the various aspects, stages, and developments inherent to my work, while also offering a context for my quest for meanings that pertain to death as a central theme. More specifically, this artistic research is designed to contribute new views and insights to the conceptualization of the mystery of transition. www.phdarts.eu

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: